Zoektocht naar Rebecca van Gelder

Rebecca van Gelder (collectie M.Levit)

Kunstenares van ‘klassieke allure en wrange spot’

door Pauline Broekema
Op een pasteltekening uit 1927  laat ze zien hoe ze werkt. Haar schildersezel is praktisch en geïmproviseerd. Rebecca van Gelder (Amsterdam 1891- Bergen-Belsen 1945) heeft haar houten tekenbord op zo’n bruin oudhollands hoekstoeltje met biezen mat geplaatst. We zien een elegante vrouw gekleed in een ruimvallend ensemble, ze draagt een colbert en een pantalon met brede pijpen. Om haar taille heeft ze een brede sjaal met franje geknoopt. Alleen het patroon en de franje van de sjaal, haar glanzende hoge hakken, haar lippen en haar wangen gaf ze een rood accent. Haar kapsel is dat van de vooruitstrevende, moderne vrouw, kort en golvend, met een zijscheiding.
Het zelfportret uit 1927, uit de collectie Levit, hing op de indrukwekkende tentoonstelling ‘Vermoorde kunst’ in het Noord-Veluws Museum in Nunspeet en de sjoel in Elburg.
Op een tweede zelfportret, ook uit de collectie Levit, zien we haar nog iets beter. Een mooie vrouw, met een expressief gezicht. Niet het gezicht van een vrouw die ook de bijtende karikaturen kon maken van snobs, van de elite in theater en salon.
Wie was ze?

 

Pieter Scheen

Er is bitter weinig bekend over deze joodse kunstenares. Als ze wordt genoemd dan is het slechts in enkele regels. Met de aantekening dat ze studeerde in Berlijn, Londen en Parijs. Zonder bronvermelding, of slechts met een verwijzing naar Pieter Scheen. Ik heb mijn eigen exemplaar van zijn Lexicon er nog eens op nagelezen.
Woonde en werkte in Amsterdam en Bussum tot 1928, daarna weer in Amsterdam. Studeerde te Berlijn, Londen en Parijs. Schilderde en tekende figuren, landschappen, huisjes enz. Vooral satireschrijfster en karikaturiste; zij maakte karikaturen die in Engeland en Frankrijk gewaardeerd werden, maar in Nederland nam men ’t haar zelfs kwalijk. Was ook een bekende modetekenares. Was lid van ‘De Onafhankelijken’ te Amsterdam.

Mak van Waay en Luns worden door Pieter Scheen genoemd als bron. Hij put uit ‘Lexicon van Nederlandsche schilders en beeldhouwers’ (1870-1940) van S.J. Mak van Waay, in 1944 uitgegeven bij de Wereldbibliotheek Amsterdam. En baseert zich op “Holland schildert” van Huib Luns (Strengholt, Amsterdam, z.j.).

Wie was Rebecca die zich ook wel Bob Stratthon-van Gelder of Bobette Stratthon-van Gelder noemde? Ze was 53 jaar oud toen ze op 29 januari 1945 in Bergen-Belsen werd vermoord.
Het is moeilijk te verdragen dat van haar zo weinig bekend is. Ik ging op zoek, vond iets meer en hoop van harte dat mijn artikel nadere gegevens en informatie losmaakt. Misschien dat er ook foto’s en meer werken van haar ontdekt worden.

Bussum

Rebecca van Gelder woonde volgens de weinige gegevens die van haar bekend zijn enkele jaren met haar ouders en broers in Bussum. De onvolprezen Eric Hennekam geeft me een eerste onmisbare aanzet. Ik informeer daarna bij het Gemeentearchief Gooise Meren en Huizen (gevestigd in Naarden-Vesting), ze helpen me onmiddellijk, wat buitengewoon plezierig is. De archivist mailt me per ommegaande belangrijke gegevens. Zo krijg ik een beeld van het gezin waaruit Rebecca komt. En kan verder zoeken.

Van Gelder en Grewel

Rebecca van Gelder is de dochter van Meijer David van Gelder (Amersfoort 18-9-1862) en Johanna Grewel (Amsterdam 3-5-1862). Ze trouwen op 10 september 1890 in Amsterdam.

Rebecca wordt een jaar later geboren, op 18 september 1891.
Ze heeft twee jongere broers:
David Herman (Amsterdam 6-7-1897)
Karel Frederik (Amsterdam 29-3-1902)

Het gezin verhuist op 12 mei 1924 van de Keizersgracht 695 in Amsterdam naar de Willemslaan 36 in Bussum en vanaf 1 mei 1925 wonen ze aan de Nieuwe Hilversumseweg 5a in dezelfde gemeente.
Vader Meijer staat in de burgerlijke stand ingeschreven als ‘kleermaker’, moeder Johanna heeft geen vermelding van een beroep.
David is ‘student chemie’, Karel  ‘kleermaker’ en Rebecca ‘schrijfster voor couranten’. Allen hebben onder ‘kerkgenootschap of vereeniging met godsdienstig doel’ de vermelding N.I. Met uitzondering van Rebecca, bij haar staat  ‘zonder’.

Firma M. van Gelder

De vader van Rebecca overlijdt op 2 februari 1926 in Bussum. Hij is op de joodse begraafplaats in Muiderberg begraven, Zijn weduwe blijft nog twee jaar  aan de Nieuwe Hilversumseweg wonen. Op 7 maart 1928 vertrekt ze naar Amsterdam waar ze met Rebecca en David aan de Noorder Amstellaan 145 gaat wonen.
Karel woont dan al in Amsterdam, hij is drie jaar eerder, in 1925 verhuisd naar de Keizersgracht 695. Op dat adres is de zaak van zijn vader gevestigd. In 1912 adverteert Meijer van Gelder als ‘Heerenkledermaker’. Maar breidt zijn atelier verder uit. De firma M. van Gelder vervaardigt, zo blijkt uit advertenties in volgende jaren, ook dameskleding en heeft een pelterij. In 1926 is in het Algemeen Handelsblad echter alleen sprake van 1e klas heerenkleding naar maat.

Grootouders

Van wie had Rebecca die zich later Bobette noemde haar talent? En waar kwam Stratthon, dat latere pseudoniem vandaan? Stratton, en Strathon zijn familenamen. Maar de spelling zoals zij die hanteert komt niet voor.
De vader van Rebecca’s moeder, Hijman Sander Grewel, had een behangerij aan de Leprozengracht in Amsterdam. En later aan de Geldersekade.

https://www.openarch.nl/saa:8793a2c2-5829-4ad6-90f0-7b91b0469f6e/nl

https://www.joodsamsterdam.nl/leprozengracht/

Misschien heeft Rebecca haar eerste tekeningen gemaakt op een stuk afgekeurd behangpapier? Zoals bij ons vroeger op school behangpapier werd gebruikt om je fantasie de vrije loop te laten. En kreeg ze haar interesse, haar fascinatie, haar gevoel voor mode, haar kennis van kleding van huis uit mee.
Haar grootvader in Amersfoort is vleeshouwer. Rebecca is naar haar oma, van vaderszijde, vernoemd. Al werd de voornaam van haar grootmoeder met een k gespeld. Rebekka van Gelder-Barend de Lange heeft haar kleindochter nooit gezien, ze overleed op 20 mei 1890, aan de Langegracht 219 in Amersfoort.

https://www.openarch.nl/nha:42161615-a19f-4c64-afe6-4ce8e31ea817

Recensies

Wie op Delpher zoekt komt Rebecca in recensies en aankondigingen van tentoonstellingen tegen. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 27 maart 1929 vraagt de Amsterdamse correspondent zich af ‘wie en wat mevrouw Stratthon-van Gelder eigenlijk is’. Ze exposeert in de Nieuwe Kunstwinkel aan de Grimburgwal in Amsterdam. Er wordt haar een ‘groote oppervlakkigheid’ verweten, de flair van iemand die veel in Franse modebladen heeft gebladerd. ‘Toch kan mevrouw ‘Bob’ Stratthon -van Gelder, geloof ik, wel meer dan zij hier laat zien, mits zij niet te gauw tevreden is met een klein goedkoop succesje.’ Wat het bericht interessant maakt is dat veel werk met titel wordt genoemd.

Maandblad NOVA

 In 1929 lijkt Van Gelder een vaste illustrator te zijn voor het maandblad Nova van uitgeverij Strengholt (dat van 1926 tot vermoedelijk 1931 bestond). De omslag van juli , augustus en oktober ’29 is van haar hand. Dat blijkt uit een bespreking van het tijdschrift in enkele dagbladen. Nummers van Nova ontbreken op Delpher. Ook elders kwam ik het blad, dat slechts enkele jaren heeft bestaan, niet tegen.

Tentoonstellingen

In mei 1930 neemt Van Gelder in Arnhem ‘niet zonder verdienste’ deel aan een tentoonstelling bij Artibus Sacrum met ‘eenige vlot opgezette portretstudies’, zo blijkt uit een artikel in de Arnhemsche Courant.
Rebecca sluit zich aan bij de Amsterdamse kunstenaarsvereniging ‘De Onafhankelijken’.

In juli 1932 is haar werk te zien op een tweede editie van ‘Kunst op zolder’,  aan de Amsteldijk in Amsterdam. Met Chris Beekman, Willy Boers, Ger Gerrits en Henk Henriët.

In oktober 1932 is zij één van de vijftien exposanten op de tentoonstelling bij kunsthandel Aalderink aan de Jacob van Lennepkade 55 in Amsterdam. Onder de exposanten zijn veel medeleden van de ‘De Onafhankelijken’. De recensent van het socialistische dagblad Het Volk noemt de vijftien kunstenaars allen bij naam. Rebecca is de enige vrouw. De exposanten zijn: Chris Beekman, Henk Albers, Willy Boers, Willem Eitjes, Ferdinand Erfmann, Johan Haak, Kees Heynsius, Johan C.A.W. Mulder, Toon van den Muysenberg, Christiaan C. Schaaf, J Sonneborn, Cor de Wolff, Douwe van der Zweep en Ger Gerrits.

In 1934 neemt Rebecca van Gelder deel aan een door de Joodse Vrouwenraad in Den Haag georganiseerde tentoonstelling met werk van Joodse kunstenaressen. Een andere exposant is Fré Cohen (Nieuw Israelitisch Weekblad, 21-9-1934).

Een vreemde bekoring

Na de Duitse inval zal ze nog twee keer exposeren. In januari 1941 hangt haar werk in kunsthandel Hungaria, in de Leidsestraat 56 in Amsterdam. Collega exposanten zijn: Arnold Davids, Dirk Filarski, Ger Langeweg, Elie Neuburger, Willem Rädeker en Annie de Roos.

De recensent van het ‘Algemeen Handelsblad’ schrijft lovend over het werk van ‘Bob Stratthon van Gelder’.
‘Weinig Nederlandsche kunstenaars componeeren zoo vrij en gemakkelijk als Bob Stratthon-Van Gelder. Zij is een illustratief talent, begiftigd met zuivere schildereigenschappen. Het best komt het geheel van haar qualiteiten tot zijn recht in het halfnaakt voor een raam dat uitziet op een statig gebouw, een werk van klassieke allure , en in de kleine composities “Interieur met dame”en “Studie”, voorstelling van een jonge vrouw , die, uit bed, komend een kous aantrekt: ook in de aquarel “Kinderkermis”. Iets schrijnends, een soort wrange spot verleent sommigen harer werken een vreemde bekoring.’

April 1941

Een tentoonstelling van De Onafhankelijken in april 1941 in het Stedelijk Museum in Amsterdam zal de laatste zijn waar Rebecca van Gelder aan deelneemt. Op 18 april 1941 schrijft de dichter en criticus Jan Engelman in ‘De Tijd’ over het evenement waar maar liefst 165 kunstenaars aan deelnemen. In de aanhef van zijn recensie maakt hij uitgebreid bezwaar tegen de sombere toon van enkele inzendingen.

‘Er is bij De Onafhankelijken altijd een aantal schilderijen, waarvan ik de makers moderne Apocalyptici of neo-Swedenborgianen zou willen noemen. Lezen zij soms veel in Nostradamus? Zij laten booze geesten verslaan door goede of omgekeerd: de goede geesten het loodje tegen de slechte. Zij leven in een bestendige vrees voor wereldondergang en de engelen met de vlammende zwaarden staan al klaar. Zij stijgen op vleugelen van Talens’ verf door de kreitsen en vermeien zich met roerende toewijding in uitvoerige allegorieën. Geen hartstocht zoo vreemd en verfijnd of zij weten er een materialisatie, een veraanschouwelijking voor. Zij zijn brave menschen en zij zouden subliem wezen als zij het genie van William Blake hadden. Zelfs zouden zij genietelijk zijn als zij de wezenlijke naïviteit en het plastisch talent bezaten van Zondagsschilders als Houtman en Kuus, hier onlangs besproken. Helaas, zij zijn haast altijd goedwillende, ethisch aangevuurde machteloozen, die met penseel en verf omgaan, terwijl zij beter duivehokken konden timmeren of slatuinen bearbeiden.’

Den ijzingwekkende dood

Engelman houdt niet op te fulmineren tegen de kunstenaars en hun vrees voor wereldondergang. Aan het werk van Van Gelder wijdt hij enkele opmerkingen die hoe wrang en onbedoeld ook bijna profetisch aandoen. De eerste anti-joodse maatregelen waren van kracht. Heeft Rebecca toen al voorvoeld wat aanstaande was?

Engelman: ‘Kijk naar het werk van Wilhelm de Boer, die Markus vers 14 tot 35 heeft geschilderd; naar het merkwaardige Bergmeer van Jop van Epen en de esoterische symboliek van “`t Wonder der Voortplanting”, uitgedacht en genoteerd door denzelfde; naar de toverkollen en de wandelende Spiesbürger van Elbert Hooyberg; naar den optocht van droefgeestige evacueerende bagijnen die door T. Moll “Levensleed” werd genoemd; naar den ijzingwekkenden Dood van Bob Stratthon van Gelder, niet de dood van Pierlala, maar speciaal die, welke de engel der Levensvreugde verjaagt.

Wie dit gezien heeft en voldoende levensvreugde overhield, hij zal weten te erkennen dat het dezen beeldende kunstenaars geenszins ontbreekt: aan verheven gevoelens en aan goeden wil. Het is jammer dat schilderen zoo moeilijk is, want wat zou de wereld anders rijker zijn!’

(-)
‘Doch laat ons liever zoeken naar enkele frissche grassprietjes in dit dorre gazon,” besluit Engelman zijn tirade tegen “deze mataphysische vergissingen” en wijdt zich vervolgens aan ‘bekwaam geschilderde narcissen’, ‘een pittig vrouwenkopje’ en ‘een aardig impressionistisch Brabantsch landschapje.’

De Onafhankelijken

Kunstenaar en historicus Ben Vollers schrijft op zijn site www.benvollers.com over ‘De Onafhankelijken’ tijdens de oorlog:
‘In de Bezetting onderscheidde de vereniging zich niet van de anderen. Ze sloot zich bij de Kultuurkamer aan en bleef exposeren. Ook werd de financiële hulpverlening via het Steunfonds gestaakt aan de joodse weduwen en wezen. Volgens Hans Mulder (in: Kunst in crisis en bezetting. Een onderzoek naar de houding van Nederlandse kunstenaars in de periode 1930-1945, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1978) bleef het bestuur met C. Maks als voorzitter aan. Alleen de secretaris Frits Sieger bedankte, en met hem de leden Willy Boers, Ger Gerrits, Jan Wiegers, Henk Henriet, Leo Braat en Maaike Braat-Roolvink, Nola Hatterman, Jo Voskuil, Chris Beekman, Wim Bosma, en Willem Eitjes, wegens de kultuurkamer, aldus Hans Mulder. De rest van de leden kozen de veilige kant en bleven lid, of waren ‘fout’, zoals Phocas Fokkens, J. Ouwersloot, Arnaut Colnot, H.J. Boor, Theo Stiphout, de penningmeester Kees Heynsius die later adviseur van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten werd, en IJkelenstam die met de nazigroet in Duitsland werd gefilmd. Cees Maks heeft zich later wel duidelijk van de Duitsers gedistantieerd.’

Aldus Ben Vollers op http://www.benvollers.com/de-onafhankelijken/

De joodse leden van ‘De Onafhankelijken’

Veel Joodse leden van ‘De Onafhankelijken’ overleven de oorlog niet. Else Berg, Meijer Bleekrode, Max van Dam, Arnold Davids,  Marianne Franken,  Helena Goudeket,  Dinah Kohnstamm, Martin Monnickendam, Leo Pinkhof, Mommie Schwarz worden vermoord. Fré Cohen duikt onder, en maakt een einde aan haar leven als zij toch door de Duitsers wordt opgepakt. Elie Neuburger overleeft in onderduik de oorlog.

Enkele oud-leden sluiten zich aan bij het verzet. Henk Henriët, met wie Rebecca in 1932 exposeert, vervalst documenten en houdt zich bezig met hulp aan onderduikers. Henriët wordt in december 1944 gearresteerd en via Amersfoort naar Neuengamme gevoerd. Op 3 mei 1945 komt hij om bij de ramp met de Cap Arcona; het Duitse passagiersschip, dat zonk na door de RAF te zijn gebombardeerd.

De advertentie

In de oorlog woont Rebecca van Gelder in de Amsterdamse Rivierenbuurt, aan de Uiterwaardenstraat 159 III. Op de begane grond is een apotheek gevestigd. Op 30 december 1942 woont ze daar nog, getuige een intrigerende advertentie in De Telegraaf waarin ze ‘met spoed’ vraagt om nummers van modetijdschriften zoals La vie Parisienne en Vogue. Ze vermeldt haar huisadres en pseudoniem Stratthon zonder de toevoeging Van Gelder. Maakte ze zich gereed voor een onderduik? Had ze via het kunstenaarsverzet een adres weten te vinden en zocht ze nu naar materiaal om in onderduiktijd toch te kunnen werken? Of heeft ze gedacht veilig te zijn onder die tweede naam, Bob Stratthon?

Johanna van Gelder-Grewel

De moeder van Rebecca is na haar vertrek uit Bussum, met haar zoon David en haar dochter aan de Noorder Amstellaan 145 gaan wonen. Daar woonde in 1930 de voorman van de Bond van Nederlandse Onderwijzers Eldert Johannes van Det. De socialist Van Det waarschuwde in 1933 in Hitlerregime en onderwijs (Arbeiderspers) al voor het fascisme en het antisemitisme in Duitsland. Hij was de oprichter van de E.J van Detschool, een Nijverheidschool speciaal voor joodse meisjes.

Karel Frederik van Gelder

Rebecca’s  broer Karel woonde aan het begin van de bezetting aan de Stadhouderskade 134 twee hoog. Dat blijkt uit een aangifte. Bij het politiebureau aan de Marnixstraat maakt hij op 20 maart 1942 melding van diefstal van zijn fiets. Het rijwiel, een RS herenrijwiel  (waarschijnlijk wordt bedoeld een fiets van het merk R.S Stokvis) stond aan de Keizersgracht 238.

David Herman van Gelder

Voor Rebecca is het een kwartiertje lopen naar haar oudste broer David. Zijn laatste huisadres is Holendrechtstraat 1 I. Als beroep wordt op Joods Monument ‘vertaler’ vermeld. In de bovenwoning bij de Amstel woont hij in bij het echtpaar Van Straten en hun zoon, de boekdrukker Jacob van Straten. Die weet in mei 1943 te ontvluchten uit Kamp Westerbork, maar wordt gepakt en dezelfde dag nog op transport gesteld. Jacob van Straten is op 28 mei 1943 in Sobibor vermoord. Zijn moeder wordt op 30 april 1943 in Sobibor vermoord. Zijn vader overlijdt in Amsterdam, in december 1941.

David Herman van Gelder is op 31 maart 1944 in Auschwitz vermoord.

Bergen-Belsen

 

Rebecca heeft vrijwel zeker ondergedoken gezeten. Ze kwam als zogenaamd ‘strafgeval’ op 6 juni 1944 in Westerbork aan en werd ondergebracht in barak 67. De gevangenen die daar zaten waren op hun onderduikadres opgepakt. Zo ook het gezin Frank dat twee maanden later, op 8 augustus, in barak 67 terecht kwam.

Op woensdag 13 september 1944 vertrok het laatste transport uit Westerbork. Naar Bergen-Belsen. Een van de 279 gedeporteerden was Rebecca van Gelder. Ook ging een groep van tweeënvijftig kinderen mee van wie de namen onbekend waren. Volgens een overlevende duurde de reis drie dagen. Na aankomst liepen de gevangenen naar het kamp. De kinderen werden op vrachtwagens naar Bergen-Belsen gevoerd.

In ‘Kroniek der jodenvervolging 1940-1945’ schrijft Abel Herzberg over de aankomst van de treinen uit Westerbork:

‘Het ‘station’ Bergen-Belsen bestond uitsluiten uit een aantal perrons. Op een daarvan stond de commandant met zijn SS-mannen de nieuwe bewoners op te wachten. De speurhonden hadden ze aan de lijn. Dat was om eventuele vluchtelingen gemakkelijker te kunnen achterhalen. Maar die honden hadden nog een andere functie: zij gaven de gewone soldaat de illusie, dat hij niet tot de laagste rang behoorde, maar zelf ook nog iets te bevelen had. De gevangenen stapten uit en werden op transport naar het kamp gesteld, natuurlijk in Fünferreihe. Mannen en vrouwen en kinderen dooreen. Voor de zieken en al te zwakken waren er vrachtwagens. De bagage moest op de rug worden meegedragen. Alles ging vrij rustig en met opvallend weinig geschreeuw. Toen het eerste transport aankwam, was het weer prachtig. Dit is geen detail maar essentieel. Vraag het maar aan hen die met latere transporten gekomen zijn en in de regen hebben gelopen. Met doorweekte kleren, dekens en bagage hebben zij, doodongelukkig, het kamp bereikt waar zij dan nog urenlang in de modder moesten wachten.’

Op 15 april 1945 wordt Bergen-Belsen door Britse troepen bevrijd. Een van de overlevenden is Anita Lasker-Wallfisch. Zij zal later een getuige zijn in de Bergen-Belsenprocessen.

Over de omstandigheden in het concentratiekamp zegt ze: ‘In Auschwitz werden mensen vermoord; in Bergen-Belsen liet men ze eenvoudigweg creperen.’

Rebecca van Gelder is op 29 januari 1945 in Bergen-Belsen gestorven.

Een ongeluk bij Zaltbommel

Rebecca’s jongste broer, Karel Frederik van Gelder, overleeft de oorlog.

Zijn leven eindigt op een regenachtige vrijdagmiddag, op 16 oktober 1965.
Op het natte asfalt van de Rijksweg bij Zaltbommel verliest een automobilist de macht over het stuur en raakt in een slip. Een man uit Den Bosch kan de wagen niet ontwijken en botst er frontaal op. Zijn medepassagiers zijn z’n vrouw en zoon.
Een van de eersten die bij de wrakken komt is een zakenman uit Amsterdam. Hij is onderweg naar Den Bosch, maar stopt om hulp te verlenen. In een bericht dat door alle kranten wordt overgenomen krijgt hij een verkeerde voorletter: J.van Gelder. Hij maakt zich, schrijft de journalist, op de plek van het ongeluk ‘nogal druk’. Het is een onzorgvuldige en respectloze omschrijving van wat Karel van Gelder doet als hij de ravage aantreft. Helpen waar mogelijk. En getuige zijn van een vreselijk drama. In de geslipte auto zitten twee gewonden. De bestuurder van de andere auto is zwaar gewond, zijn vrouw en zoon zijn dood. Wat Van Gelder ziet maakt hem zo van streek (hij is een ‘hartpatiënt’ volgens het krantenbericht) dat hij wordt getroffen door een hartaanval en ter plekke overlijdt.

De volgende dag staat in De Telegraaf en in het Algemeen Handelsblad een sober bericht.

Johanna Rennette van Gelder-de Jong laat weten:
‘Heden overleed, geheel onverwacht, mijn lieve man.’

Karel Frederik van Gelder wordt 63 jaar.

Met dank aan Michiel Levit en Guus Maris voor hun aansporing een eerste onderzoek te doen naar Rebecca van Gelder.
Dank ook aan Eric Hennekam, Ineke Inglot van het Gemeentearchief Gooise Meren en Huizen en Guido Abuys van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Bronnen: Vermoorde Kunst, Linda Horn en Edward van Voolen; Joodsmonument.nl. ; Abel J Herzberg Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945;  Delpher.nl, amsterdam.nl/stadsarchief/Openarch.nl; Pieter A. Scheen: Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950; rkd.nl; benvollers.com; arolsen-archives.com; joodsamsterdam.nl; stadsarchiefamsterdam.nl;  regionaalarchiefrivierenland.nl

copyright: Pauline Broekema